Een Layer 1 is een blockchain die volledig op zichzelf draait, zonder afhankelijk te zijn van een ander netwerk om transacties te verwerken, ordenen of definitief te maken. Het heeft zijn eigen validators of miners, zijn eigen consensusregels en een eigen native token waarmee fees worden betaald en de chain wordt beveiligd. Alles daarbovenop, van sidechains tot rollups, wordt gebouwd op een van deze basislagen.
Omdat een L1 transactie-uitvoering, dataopslag en consensus allemaal zelf regelt, wordt het ontwerp bepaald door het zogeheten blockchain-trilemma: de moeilijkheid om security, decentralisatie en schaalbaarheid tegelijk te maximaliseren. Bitcoin kiest voor security en decentralisatie via Proof of Work, ten koste van een lagere doorvoersnelheid. Ethereum stapte over op Proof of Stake om energieverbruik te verlagen en leunt nu op Layer 2-rollups voor extra capaciteit, terwijl de basischain de settlement- en securitylaag blijft. Nieuwere L1's zoals Solana en Avalanche geven voorrang aan snelheid en lage fees met alternatieve consensusontwerpen, vaak ten koste van decentralisatie.
Upgrades die direct op een L1 worden toegepast, zoals sharding, waarbij het netwerk wordt opgesplitst in parallelle segmenten die elk een deel van de transacties verwerken, moeten de capaciteit van de basislaag verhogen zonder het hoofdprotocol te verlaten. Dit verschilt van Layer 2-schaling, waarbij transacties buiten de hoofdchain worden verwerkt en de resultaten later daarop worden afgewikkeld.
De keuze voor een L1 is belangrijk voor zowel developers als gebruikers: het bepaalt transactiekosten, finality-tijd, beschikbare tooling en de securitywaarborgen die elke applicatie erbovenop erft. De status van een chain als basisnetwerk, soms de mainnet genoemd, maakt het de uiteindelijke bron van waarheid voor saldi en contractstatus.