Bij een token burn wordt een hoeveelheid tokens definitief vernietigd, zodat ze nooit meer kunnen worden uitgegeven of verhandeld. Omdat het totale aanbod krimpt terwijl de vraag gelijk blijft, behoren burns tot de meest gebruikte instrumenten waarmee projecten hun tokenomics vormgeven.
Er zijn twee gangbare manieren om tokens te verbranden. De eenvoudigste is ze naar een burn-adres (vaak een dead address genoemd) te sturen: een wallet zonder bekende privésleutel, waardoor alles wat daarheen wordt gestuurd voorgoed vastzit. De formelere methode is een burn-functie op protocolniveau die in een smart contract is ingebouwd en het geregistreerde totale aanbod direct verlaagt. Beide methoden zijn on-chain verifieerbaar, zodat iedereen kan controleren of een burn daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Projecten verbranden tokens om uiteenlopende redenen: om het circulerende aanbod te verkleinen, om deflatoire druk te creëren, om waarde aan houders terug te geven via buyback-and-burn-programma's die uit omzet worden gefinancierd, of om een deel van de transactiekosten te verbranden. Bekende voorbeelden zijn de driemaandelijkse auto-burn van BNB, de base-fee burn die Ethereum in 2021 met EIP-1559 invoerde, en de door de community gedreven burns van Shiba Inu. Verbranden vormt ook de basis van Proof of Burn, een consensusconcept waarbij deelnemers coins vernietigen om het recht te verdienen blocks te valideren.
Een burn is geen garantie voor koersstijging. Bij zwakke vraag verandert een kleiner aanbod weinig, en sommige projecten kondigen burns vooral als marketing aan. Beoordeel een burn daarom binnen de totale tokenomics van het project: hoe groot de burn is ten opzichte van het circulerende aanbod, of hij terugkerend is, en of hij wordt gefinancierd uit echte activiteit in plaats van ongebruikte reserves.